Ondernemingsnummer : BE0656 712 566  - Alle rechten voorbehouden- www.rewilding.be - Inschrijfgeld kan niet terugbetaald worden/tenzij bij annulatie -  Rewilding, Heirbaan 2, 2370 Arendonk, Tel 0495/62.71.36 , Mail: info@rewilding.be Rekeningnummer BE06973354233122

Love amply

 live simply  

run wild.

"Rewild jouw Tuin" (deel 2)

January 14, 2017

Een strak gazon (gedeeltelijk) inruilen voor een wilde tuin is een goede zaak voor jouw en de natuur. Jij hoeft niet elke week het gras te maaien en de biodiversiteit heeft er alleen maar voordelen aan. Vliegende insecten kunnen migreren door gebieden die voordien alleen maar vol beton en levenloze gazons stonden terwijl andere ongewervelden profiteren van het voedselaanbod wat dan weer zijn effect heeft op grotere dieren zoals vogels en egels. In de vorige blogpost ben ik hiermee geëindigd na een kijkje te hebben genomen naar de dieren die mijn wilde tuintje bevolkten.

 

Insecten en andere kriebelbeestjes bekijken is niet echt meteen iets waar iedereen voor te springen staat. Als je je er echter mee bezig houdt, zal je snel ontdekken dat er een wondere wereld voor je opengaat vol vreemde wezens met kleurrijke patronen ter grootte van een vingernagel.

Voor de volwassenen onder ons misschien een wat moeilijkere stap om te maken, maar voor kinderen snel gemaakt eens ze de fascinatie te pakken hebben.

 Slangenkruid (Echium vulgare) heeft zijn bloemen zo aangepast dat alleen honigbijen, wilde bijen en  hommels zoals deze akkerhommel (Bombus pascuorum) bij de nectar kunnen.

Tegelijkertijd belandt er van de uitstekende meeldraden stuifmeel op de hommel haar rug. Die  zal als ze op

een andere bloem landt dan weer terecht komen op de stempel van deze andere bloem waardoor er bevruchting plaatsvindt. 

 

Een wilde tuin is ook hier erg geschikt voor: naast de kinderen en jezelf leren kennismaken met het aanbod aan wilde bloemen en kruiden van een zaadmix, die je gewoon in een tuincentrum kunt kopen, te bieden heeft, kom je al snel te weten welke dieren aangetrokken worden door al dat nieuwe groen. Een vergrootglas en een potje kunnen die kleine bengels wel een namiddagje bezig houden in de tuin, zeker als je ze kunt helpen met op te zoeken welk insect ze nu weer gevangen hebben. Beweging, plezier en ook nog eens iets geleerd op een leuke manier.

Een fotocamera bij de hand houden was hoe ik me bezighield afgelopen zomer. In de vorige blogpost hebben we bekenden gezien zoals bijen en zweefvliegen, maar ook enkele tuingasten die alleen langskomen als je daadwerkelijk wat verwilderde stukjes hebt zoals boktorren en penseelkevers. Lieveheersbeestjes waren de kleurrijke bladluisverdelgers en het is met dit dat ik wil verdergaan in deze blogpost: de roofdieren.

 

 Een geringde roofwants

(Rhynocoris annulatus) is een klein insect van hoogstens 15 mm lang dat jaagt op allerlei insecten en hun larven gaande van vlinders en rupsen tot honingbijen die hij met zijn voorste paar poten vastgrijpt en met zijn zuigsnuit leegzuigt.

Op de foto kun je die zuigsnuit duidelijk veilig naar binnen geplooid zien. Als hij wil eten kan hij ze

naar voren laten komen en in de prooi prikken. Naar het schijnt kan hij ons ook wel een steekje geven indien je hem beetneemt, dus laat hem maar gewoon zitten waar hij zit als je hem ziet.

Een meer bekender roofdiertje dat ik enkele dagen hebben kunnen waarnemen was dit kleine spinnetje, een Heliophatus auratus.

Hij heeft geen Nederlandse naam, maar je kan het makkelijk onthouden onder de term “springspin” want dat is wat deze kleine kruiper is.

Ze zijn makkelijk te herkennen aan de twee grote hoofdogen vooraan op hun kopborststuk. Ze hebben ook nog zes andere, kleinere oogjes die beweging waarnemen.

De hoofdogen daarentegen zijn het meest ontwikkeld waarmee ze kleur kunnen zien.

 

Zoals de naam zegt, kunnen ze springen. Ze leven niet in een web, maar lopen los rond op zoek naar prooi en vinden zich al klauterend en springend een weg in de wereld. Prooien worden beslopen en besprongen, iets dat je met wat geluk kan zien gebeuren als je ze een tijdje volgt.

 

Een grotere spin die ik kon vinden was deze gewone kameleonspin (Misumena vatia). 

In tegenstelling tot de springspin loopt zij niet rond, maar laat ze de prooi naar zich toe komen.

Dat doet ze niet in een web, maar door haar camouflage te gebruiken door op bloemen van dezelfde kleur als haar lichaam te gaan zitten.

Dit is namelijk een krabspin, spinnen die hun camouflage gebruiken om prooien te vangen en

hun naam danken aan het feit dat ze net als krabben alleen zijdelings kunnen lopen.

Met haar poten in aanvalspositie blijft ze stokstijf zitten. Insecten die uit zijn op zoete nectar

wacht een onaangename verrassing. Ik had het geluk een demonstratie te zien toen een

argeloos vliegje voor haar landde en prompt vastgegrepen werd. Na enkele seconden was de prooi al dood en begon ze te smullen, haar poten alweer in dezelfde aanvalspositie.

Nog een leuk weetje: deze soort verandert van kleur naarmate ze een bepaalde tijd op gele of witte bloemen leeft. Vandaar de toepasselijke naam.

 

 

Een iets minder eng roofdier is dit lantaarntje (Ischnura elegans),

een veel voorkomende waterjuffer.

Op de foto zie je een vrouwtje, de mannetjes hebben in plaats van bruin een mooi blauw kleurtje.

Deze slanke vliegende libellen jagen op kleine vliegjes en andere insectjes die ze in de lucht opeten. Ze zijn echter klein en moeten dus oppassen voor grotere roofdieren zoals vogels, kikkers en ware libellen.

 

 

Het verschil tussen een libel en een waterjuffer is dat libellen qua bouw forser zijn, hun twee paar vleugels niet dezelfde vorm hebben en hun oogbollen boven op hun hoofd zitten, niet aan de zijkant. Als ze zitten is het verschil ook makkelijk te zien doordat waterjuffers hun vleugels dichtvouwen terwijl libellen ze open houden.

 

Hoe eng spinnen en andere vleesetende insecten kunnen overkomen bij mensen, je moet niet vergeten dat ze zeer nuttige beestjes zijn.

Sommige worden zoals lieveheersbeestjes soms actief ingezet om plagen te bestrijden en gaasvliegen zijn daar geen uitzondering op. Hun larven zijn onder andere dol op bladluizen.

De groene gaasvlieg

(Chrysoperla carnea), ook wel goudoogje genoemd, is als larve een echte vreetzak. Tot wel 50 bladluizen kunnen per dag verslonden worden.

 

Als volwassene is hij echter een fan van de bladluizen hun uitwerpselen (honingdauw) samen met pollen en stuifmeel. Vrouwtjes met eitjes in hun lichaam komen nog wel eens terug op hun bladluizendieet van vroeger.  Merk op dat gaasvliegen geen vliegen zijn, maar behoren tot de netvleugeligen.

 

Alle info over deze diertjes gezegd zijnde, kun je er dus van uitgaan dat er een heel ecosysteempje kan ontstaan van planten, ongewervelden die hier van eten en roofdieren die dan weer op de planteneters jagen. Eigenlijk gewoon een miniversie van de Serengeti op slechts enkele vierkante meters grond en je kan hem altijd een bezoekje brengen om er je ogen de kost geven.

Natuurlijk kun je altijd verder uitbreiden en je hele tuin omtoveren tot een waar natuurgebiedje

met een heel scala aan soorten.

 

 

Ik ga deze blogpost afsluiten met een speciale gast die ik afgelopen zomer onverwachts in de tuin aantrof, een van de grootste insecten uit de Benelux en tevens ook van Europa als ik me niet vergis. Waar ik het over heb is de grote groene sabelsprinkhaan (Tettigonia viridissima).

Deze soort kan tot 8 cm lang worden, de legboor meegerekend. Alleen vrouwtjes hebben zo'n legboor, hij dient namelijk om eitjes in de grond te leggen. Mannetjes zijn kleiner en missen dit orgaan dus.

Dit volwassen vrouwtje zat opeens op een van onze tuinstoelen. Ze liet zich goed behandelen, hoogstwaarschijnlijk omdat ik net een appel was aan het eten waardoor het sap nog op mijn handen plakte. Dat “likte” ze er graag af. Deze soort is een omnivoor die zowel planten als andere insecten eet met haar stevige monddelen. Doordat ze planten eet wordt ze als schadelijk gezien, maar als omnivoor is ze eigenlijk ook nuttig. Dat toont even aan hoe in de natuur zelf niets eigenlijk

een pest is en dat dat alleen maar een term is die wij bedacht hebben.

 

Wat we moeten doen is gewoon beter leren samenleven met de natuur. Een wilde tuin is dus een stap in de goede richting.

Ik heb natuurlijk opgezocht hoe ik deze soort in de tuin zou kunnen krijgen, ervan uitgaande dat ze redelijk zeldzaam was. Verrast was ik toen ik las dat het eigenlijk een veel voorkomende soort is die gewoon ongezien blijft het grootste deel van de tijd door haar camouflage. En nog grappiger werd het toen ik zag hoe de nimfen van deze soort eruit zagen. Terugkijkend in mijn verzamelingetje foto’s wist ik dat ik eerder een kleine groene sprinkhaan had gefotografeerd in de wilde tuin. Bleek dat dat eigenlijk een jong mannetje was.

 

Wonderbaarlijk toch, die natuur?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Please reload

Uitgelichte berichten

The only way is up!

November 4, 2017

1/9
Please reload

Recente berichten

November 4, 2017